zondag 26 maart 2017

Film in Aalter


Het historisch verhaal van de filmvoorstellingen in Aalter verschilt niet zo veel van wat zich in andere dorpen afspeelde. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog konden de inwoners zich ter gelegenheid van de kermis vergapen aan het wonder dat de cinema bracht. Een rondreizende cinematent bezocht het dorp voor enkele dagen en de geïnteresseerden hadden er dan wel een klein bedrag voor over.

Tijdens het interbellum werd het medium film steeds populairder. In Aalter bleef het toch een niet-alledaags gebeuren. Toen burgemeester de Grunne in 1921 een groot feest gaf bij het begin van zijn mandaat, ontbrak op het programma ook een grote ‘cinematographische vertoning’ in open lucht niet. Verder zijn er ook sporen van de rondreizende cinema Derby (vooral begin jaren 1930). Een aankondiging ervan leert ons dat de bezoekers diverse films konden bekijken tijdens een voorstelling: een drama, een cowboyfilm, een ‘kluchtfilm’ en een sportfilm. Concrete titels waren De Werkende Clown, Hij die doodde, Het geheim der toekomst en De Rode Vleugels.

Zeker bij gelegenheidsvoorstellingen liet de techniek het soms afweten. De vertoning van een gesponsorde film (ook dat was toen reeds aan de orde) in het Volkshuis op de markt, naar aanleiding van de grote Handelsbeurs in 1934, draaide uit op een klein fiasco, aldus een verslag: “door het breken van het apparaat, in het tweede deel, waardoor het publiek ongeduldig werd en gedeeltelijke de zaal verliet. Na een uurtje geduldige arbeid en peuterwerk, gelukte het de vakmannen dankzij de medehulp van een gedienstige en bekwame toeschouwer, de zaak weer in orde te krijgen zodat de prachtige film toch kon afgedraaid worden, met als slot een kluchtige teekenfilm en de film der brouwerij Wielemans.”

Nog in de jaren 1930 trokken inwoners van Aalter wel al eens buiten het dorp om een film te zien. In Maldegem floreerde de cinema van de familie De Lille. Met de kerstdagen van 1934 speelde daar de film De Witte en enkele filmliefhebbers richtten zelfs een bus in om die voorstelling te bezoeken. Dit initiatief zou nog een paar keer worden herhaald, o.a. voor de ‘Vlaamsch gesproken film’ Uilenspiegel Leeft. Ter gelegenheid van de handelsbeurs in 1938 kwam Gabriël De Lille overigens met zijn apparatuur naar Aalter om er de film ‘De Molenaars’ te vertonen.

Op filmvlak diende de Aalterse bevolking het meestal te doen met het eerder ‘brave’ of meer ‘instructieve’ genre dat in de ‘patronage’ werd vertoond. Aansluitend bij het parochiale of het katholieke leven vonden er in de jaren 1930 bijvoorbeeld filmvertoningen plaats over het missiewerk, zoals Ria Ragu.


Verbouwingsplannen Zaal Pax Aalter (1947)
met daarop duidelijk lokalen projectie
en bewaring films.


Pas na de oorlogsjaren kwam er wat vaart in het Aalterse filmverhaal. De Ruiseleedse cinema-uitbater Soetaert ontvouwde plannen om op de markt een heuse cinemazaal op te richten. Het verzet kwam uit onverwachte hoek. Onderpastoor Van Impe vreesde voor de aantasting van de morele waarden en had het daarbij vooral voorzien op de commerciële en Amerikaanse producties die het Europese continent overspoelden. 

De aanval is de beste verdediging, zo redeneerde de lokale geestelijkheid. De patronaatszaal werd flink verbouwd en ingericht als filmzaal (met projectielokaal, filmdoek, opklapbare stoelen). Iedere film werd gekeurd en moeilijke scènes geknipt. De Aalterse onderwijzer Jozef De Doncker en auteur André De Ké schreven reeds herhaaldelijk over hun ervaringen en belevenissen in Cinema Pax in de periode 1945-1955. Tarzanfilms waren in trek, maar bijvoorbeeld ook Going My Way (Bing Crosby). De prijzen op maandagavond waren lager dan in het weekend. Tijdens de vertoningen durfde ook wel eens een en ander fout lopen. De contacten met de cinema in Ruiselede normaliseerden zich en er werden zelfs films doorgegeven. Uitbater Soetaert ronselde overigens ook nog wel publiek in Aalter.



Folder van Cinema Majestic Ruiselede
uitgedeeld in Aalter
(met advertentie Aalterse middenstander)
(ca. 1954-1955)
Eind jaren 1950 veranderde het landschap. Alfons Maes uit Ruiselede richtte in de Stationsstraat een bioscoop op. Soetaert reageerde en plaatste volgens De Doncker zelfs een bord waarop hij aankondigde even verderop een bioscoop te openen. Deze kwam er uiteraard niet. Capitole nam in de jaren 1960 en 1970 de rol van de Pax over. Succesfilms als Ben Hur trokken meerdere volle zalen. In de groeiende gemeente was de cinema een mooie bron van ontspanning. De commerciële film kreeg er volop aandacht.

Het ‘betere’ filmwerk was te vinden op gelegenheidsvoorstellingen in het Gemeentelijk Ontspanningscentrum in de Stationsstraat of in de refter van het St.-Gerolfinstituut. Kinderen werden verwend met initiatieven van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen (later JEFI), films die op woensdagnamiddag ook in de Capitole en later het Gemeentelijk Ontspanningscentrum werden vertoond.



Cinema Capitole kondigde jarenlang
het programma aan via het gratis
huis-aan-huisblad De Wegwijzer
(advertentie ca. 2000)
De komst van de grote cinemacomplexen in de steden, de toenemende mobiliteit, een veranderend kijkgedrag (televisie) en wijzigingen in het ontspanningsleven maakten het  voor de dorpsbioscoop steeds lastiger. Overal te landen verdwenen de kleinschalige initiatieven. Ook Cinema Capitole kreeg het lastig, kende een nieuwe bloeiperiode bij het begin van de 21ste eeuw maar sloot in 2017 de deuren.

Film bekijken speelt zich steeds meer binnenshuis en door het kijkgedrag op mobiele apparaten zelfs binnenskamers af. Film bekijken is geëvolueerd van een gemeenschapsgebeuren (op kermissen, markten, grote zalen) tot een heel individuele beleving.

Meer lezen: J. DE DONCKER, Van patronage tot parochiaal centrum Pax (deel 1) in Land van de Woestijne, 2002, 1, p. 4-42. Jahil De Baets maakte naar aanleiding van de sluiting een historisch overzicht van Cinema Capitole als (niet-weerhouden) Wikipediapagina. Over sluiting Cinema Capitole Aalter: http://www.avs.be/avsnews/cinema-capitole-definitief-dicht

zondag 12 maart 2017

Gust en Deesken van Maria Bultinck-Dhanis - een volksroman

In 1909 verscheen in Bellem de volksroman Gust en Deesken van Maria Bultinck-Dhanis. Maria Dhanis (1867-1939) was de echtgenote van Camiel Xavier Bultinck (1863-1943), griffier bij de Koophandelsrechtbank in Gent. Het koppel was in 1893 gehuwd en vestigde zich in 1908 in een huis van familie van Camiel Bultinck aan het kanaal in Bellem. Mevrouw Bultinck-Dhanis was Franstalig opgevoed maar was gecharmeerd door de volkstaal. Zij schreef een paar kleine werken in het Nederlands, waaronder dus Gust en Deesken. Schetsen uit en om het leven van twee Vlaamsche boerenjongens.

Woning Bultinck-Dhanis (Bellem)

De tekst is uitgegeven als boek(je) maar verscheen ook in afleveringen in Flandria’s Novellen-Bibliotheek, opgericht in 1900. De (liberale) flaminganten Hippoliet Meert en Maurits Sabbe waren er de bezielers van. De bedoeling was om de schrijvers van eigen bodem dichter bij het volk te brengen. Buysse, Claes, Timmermans en andere grote namen vonden er hun weg naar, maar evenzeer konden de toenmalige auteurs van eerder tweede garnituur er hun ei in kwijt. Het is een interessant gegeven dat ook mevrouw Bultinck-Dhanis er terecht kwam met haar bescheiden volksverhaal.


Afleveringen van Gust en Deesken verschenen
in Flandria's Novellen-Bibliotheek
(collectie Universiteitsbibliotheek Gent)
Gust en Deesken is een vrij eenvoudige tekst, met geen al te hoge allures en zonder franjes. Het boek zelf geeft een interessante inkijk op het leven in een plattelandsdorp rond de eeuwwisseling 19de-20ste eeuw. Wij lezen er over de processie en de oogst maar evengoed over de reanimatie van een jongen die in het water sukkelt. De hedendaagse lezer ontdekt op deze manier wel wat oude gebruiken, waardoor het boek ook een historische interessante bron kan zijn. Bij wijze van voorbeeld geven wij een stukje over wat er zich afspeelde bij een overlijden:

Na een pooze, want Peetje was erg afgemat:
“Jongens, geen onnoodige kosten, den kleinsten dienst is wel, geef liever brood aan den armen!”
Peetje zweeg en des avonds, wanneer al de kinderen aan zijn bed geschaard stonden om de benedictie te vragen, had Peetje de kracht niet meer de hand zegenend op te heffen; hij bekeek ze nog eens liefdevol, zijn mond prevelde een gebed en zijn oogen sloten dicht, dicht voor eeuwig: Peetje was dood…
Dat gebeurde den Zaterdagavond. Moeder en vader drukten zich stilzwijgend, diep aangedaan, de hand, en bleven een pooze den beminden afgestorvene aanschouwen; de kinderen schaarden zich om hen, dicht, benauwd bij ’t eerste aanzien van den dood. Iedereen weende zacht, niemand huilde. Dan verwijderde zich de familie en ging geknield bidden in de keuken, binst dat de geburen Peetje aflegden in de beste kamer.
De luiken werden gesloten, waslicht deed men branden op een klein tafeltje nevens ’t bed war ook een kruisbeeld en een glas wijwater met een takje gewijde palm stonden. Aan ’t hofgat nevens ’t hekken had men naar Vlaamsche gewoonte een strooien kruis gelegd; strooi wat het graan uitgedorschen is: zinnebeeld van het lichaam, welke de ziel verlaten heeft.

Meer lezen: W. VERVALLE, Camiel Xavier Bultinck in Land van de Woestijne, 2007, 4, p. 3-8. Over Flandria’s Novellen-Bibliotheek zie ook L. SIMONS, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een cultuurgeschiedenis, Tielt, 2013.

dinsdag 21 februari 2017

Appeltjes van het Meetjesland (lied)

In het jaarboek Appeltjes van het Meetjesland 2006 boog de Eeklose lokaalhistoricus Paul Van de Woestijne zich over de herkomst van de naam van de publicatie. De auteur verwees naar de ontstaansjaren van het Historisch Genootschap van het Meetjesland (1949-1950), uitgever van het boek. In een van de eerste jaarboeken maakte toenmalig voorzitter Tieleman een verwijzing naar een lied van Maurits Sabbe en Remi Ghesquière.

Van de Woestijne vond dit lied met tekst terug in een leerboek en schatte dat ergens tussen 1900 en 1910 het lied voor het eerst gezongen werd (dat klopt: intussen kan worden aangevuld dat het Brugse blad La Patrie de titel vermeldt in de uitslag van een wedstrijd voor schoolliederen in februari 1906). Hij stelde vast dat het na de Tweede Wereldoorlog in de vergeethoek moet zijn geraakt. Van de Woestijne signaleerde wel een getuigenis van iemand die zich herinnerde het in de jaren 1930 te hebben geleerd in de klas.

Dit kan nu worden bevestigd. Toeval wil immers dat wij een handgeschreven schoolschriftje in handen kregen van eind de jaren 1930 waarin het lied is opgetekend. Tussen ‘klassiekers’ als ‘Des winters als het regent’ en ‘Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen’ staat de eerste strofe van het lied (zie afbeelding)




Het lied bestaat uit drie blokjes. In het schriftje is enkel de eerste strofe opgenomen. Wij lezen er hoe het schip geladen met appels naar Engeland vaart. Bij een eerste lectuur verwondert de lezer zich wellicht wat over wie die Djek wel mag zijn, maar dit moet een verbastering zijn van Jack. De appels moeten bijzonder gegeerd zijn over de plas, want in de tweede strofe is vermeld hoeveel geld dit wel heeft opgebracht. De laatste strofe is dan weer een huldeblijk aan de boer, die “waakt en zorgt met noeste vlijt, tot hem een eerlijke oogst gedijt”.


Van de Woestijne merkte in zijn tekst op dat er over de reputatie van de fruitkweek in het Meetjesland weinig geweten is. Misschien is het ook wel toeval, want bij de afdruk van het lied valt te lezen dat Meetjesland gerust kan worden vervangen door ’t Loonsche land. Vragen over de ontstaansreden en de verspreiding van het lied blijven er nog wel. In elk geval wordt met de vondst in dit schoolschrift duidelijk dat vorige generaties leerlingen De Appeltjes van het Meetjesland wel degelijk in de zangstonden kregen opgediend.


Meer lezen: P. VAN DE WOESTIJNE, De Appeltjes van het Meetjesland in Appeltjes van het Meetjesland, Maldegem, 2006, jb. 57, p. 245-249. Zie ook http://www.appeltjes-meetjesland.org/ (met dank aan G. Mertens).

zaterdag 11 februari 2017

Hoe staat het met de Aalterse reuzen?


Hoe staat het met de Aalterse reuzen, zo werd ons de voorbije weken herhaaldelijk gevraagd. Een en ander heeft natuurlijk te maken met het feit dat Comeet (Cultuuroverleg Meetjesland) in september 2016 de Vlaamse Cultuurprijs Lokaal Cultuurbeleid kreeg overhandigd. Na een openbare bevraging over de besteding van de 10000 euro die hieraan verbonden is, besloot Comeet om hiermee een Project Meetjesland Reuzenland op te starten.

In de herinnering van nogal wat Aalternaars leven wellicht de reuzen van het Statiekomitee, Goliath en Godelieve. Deze laatste was geïnspireerd op de uitbaatster van een herberg in de Stationswijk en kreeg gezien haar attributen ook wel een iets minder flatterende naam toebedeeld. De reuzen kwamen naar buiten ter gelegenheid van de kermis aan het station (Pinksteren). De buurt probeerde zo bij het begin van de 21ste eeuw een aloude Vlaamse traditie in het leven te houden.

Reuzen Statiekermis (2005)
Bron: Blog Op stap met Pat
Een echte ‘reuzen’traditie heeft Aalter nooit gehad (de fusiegemeenten evenmin). Beelden van diverse optochten en stoeten uit de eerste helft van de 20ste eeuw tonen vooral overdadig opgesmukte praalwagens, met de meest inspirerende thema’s en zeer uitvoerige constructies, maar geen reuzen. Het is pas na de Tweede Wereldoorlog dat er reuzen opduiken in een stoet. De reus die het langst heeft overleefd (nog tot in de jaren 1990) was ‘Louis De Brouwer’. Deze grote jongen zag het levenslicht in de Brouwerijstraat, kort na de Tweede Wereldoorlog. Het buurtcomité liet zich – zo wil de overlevering – inspireren naar een levend model (Jozef De Meyer, een gemeentebediende). De reus trok altijd samen op met de eigen fanfare (‘Blauwkielen’).

De reus Louis De Brouwer uit de Brouwerijstraat.
(Bron: zie bibliografie hieronder)
Onderwijzer Jozef De Doncker registreerde dat ook kort na de Tweede Wereldoorlog een reuzenkoppel het levenslicht zag in Aalter. Enkele buurtbewoners lieten zich inspireren door een figuur die zij terugvonden in het boek van De Potter & Broeckaert, Geschiedenis der gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen. Zij maakten in hun tekst over Aalter een verwijzing naar Jan Bartel Avontroot. Deze figuur zou in 1563 in Aalter geboren zijn, later als koopman op de Canarische eilanden beland en als overtuigd verdediger van de protestantse zaak in dispuut geraakt zijn met de koning van Spanje. Filips IV toonde zich tot dialoog bereid maar eenmaal Avontroot in Spanje aangekomen, belandde hij bij de inquisitie en uiteindelijk op de brandstapel (1631). De man liet behoorlijk wat geschriften na en sprak eerdere geschiedschrijvers aan. Dit was een avontuurlijk verhaal waar men wel iets kon mee doen. Het was deze figuur die in Aalter als reus werd verbeeld, samen met zijn echtgenote Cornelia.

De reus Avontroot en zijn echtgenote.
(Bron: zie bibliografie hieronder)
De reus Bobel.
(Bron: zie bibliografie hieronder)
De Aalterse reuzen kregen in 1957 gezelschap van een huisdier, een hond met de naam Bobel. Het is ook Jozef De Doncker die hiervan het verhaal noteerde. Na moderniseringswerken aan de Boomgaardstraat en de Bellemstraat wilde een buurtcomité de verdwenen traditie van hondenkoersen levendig houden. Ze maakten ter gelegenheid van een feestelijke bijeenkomst een reuzenhond, die werd gedoopt met een naam die was samengesteld uit de beginletters van de straatnamen. Het dier zou nadien een stille dood gestorven zijn…

Een interessant detail nog over die figuur van Avontroot. De Potter en Broeckaert haalden de mosterd uit een tekst die in 1859 was geschreven door C. Van der Elst. Die schrijft inderdaad zwart op wit: “Jean-Barthélemi Avontroot naquit à Aeltre, village situé entre Gand et Bruges”. Deze auteur gaat vervolgens in op enkele vermaarde protestantse figuren die in de streek hebben gewoond om aan te tonen dat Avontroot door hen zou zijn beïnvloed. In latere publicaties werd hier en daar al eens in twijfel getrokken of het nu om Aalter ging in Vlaanderen of om een plaats in Nederland of Duitsland. In een wetenschappelijke studie uit 2010 is intussen vrij overtuigend geargumenteerd dat Avontroot in Haldern in de buurt van Kleve (Duitsland/NRW)  werd geboren. Maar dat zal natuurlijk de mensen die zich destijds met de reuzen hebben geamuseerd worst wezen…


Meer lezen: J. DE DONCKER, De hondenkoersen in de wijk Oostergem en Bellemstraat in Land van de Woestijne, 2000, 2, p. 24-34.

zondag 22 januari 2017

Industrieterrein Aalter uit de lucht bekeken

We hadden het hier eerder reeds over de geschiedenis van het industrieterrein in Aalter (lees bijvoorbeeld Nijverheid en industriepark Aalter, Industrie in Aalter of Geschiedenis van het ondernemen in Aalter). Naar aanleiding van deze teksten bezorgde Jan Camerlinckx toen een aantal luchtopnames uit de collectie van Lothar Graumann uit Aalter (waarvoor dank). De dynamiek die op dat vlak in Aalter is terug te vinden, rechtvaardigt wellicht de publicatie deze beelden.

De lezer ziet dat in de jaren 1970 nog hele strukken uitgestrekt lagen te wachten op nieuwe bedrijven. De Bekaert-site drukte zijn stempel op het landschap. De kern voor het nieuwe Aalter-Brug was nog maar gelegd. Op het beeld bemerkt men de Knokkeweg, nog maar kort ervoor verdubbeld in capaciteit. Ter oriëntatie zijn kort enkele merkpunten toegevoegd. Bijkomend beeldmateriaal of extra informatie is steeds welkom.

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Comelco/Campina - Boerenbond)
Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Bekaert Aalter)

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Boerenbond Aalter)

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Comelco/Campina - Woestijne)

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Ambachtenlaan/Nijverheidslaan)

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Brug-Zuid - waterzuivering
Seghers Beton/Loveld - Seghers Siertegels/Urbadal)

Industriepark Aalter jaren 1970
(luchtfoto Aalter-Brug - Knokkeweg)

woensdag 28 december 2016

Bellemstraat Aalter (begin 20ste eeuw)

De Bellemstraat, de lange weg richting Bellem - een naam kan moeilijk meer sprekend zijn, werd begin de jaren 1860 volledig als steenweg aangelegd. De bebouwing situeerde zich vooral in de omgeving van de markt van Aalter. Op deze postkaart (te dateren een aantal jaar voor de Eerste Wereldoorlog) is een beeld te zien tussen de huidige Vrijhofstraat en Processieweg.


Bellemstraat, Aalter (begin 20ste eeuw)

De bebouwing in dat stukje Bellemstraat bestaat op dat ogenblik vooral uit een paar villa's of herenhuizen. Rechts vooraan op de foto staat de villa van Modest Van Daele. Heemkundige Roger Defruyt noteerde daarover destijds dat het was gebouwd door een zekere Modest Van Daele. De man was een tijdje naar Amerika uitgeweken, had daar blijkbaar goed verdiend en bouwde bij zijn terugkeer deze woning in Amerikaanse stijl. Aan diezelfde zijde, wat verborgen, stonden ook de gebouwen van brouwerij De Vlieger.

Op de linkerkant staat het statige huis gebouwd door dokter Snoeck. Op het dak bevond zich een grote windwijzer (op deze afbeelding helaas minder te zien) met daarop de initialen van de bouwheer. Later kwam het gebouw in bezit van notaris Goeminne. Bemerk vooraan links op de foto de percelen die voor landbouw werden gebruikt. Een foto nemen was duidelijk nog een gebeurtenis. De komst van de fotograaf had de buurt gemobiliseerd en jong maar ook wel oud kwamen naar buiten om te poseren (zie detail).

Bellemstraat, Aalter (begin 20ste eeuw), detail

Om en rond het station van Aalter

Wij hadden het op deze blog reeds eerder over het verdwenen stationsgebouw van Aalter (klik bijvoorbeeld hier). Het gebouw was bij uitstek ook een plaats om foto's te maken. Wij kregen recentelijk een kaart bezorgd van Joe Rogge, die vooral over het Gentse Zuidstation publiceerde. De foto is afgedrukt op stevig karton en gebruikt om als kaart te versturen. Er staat geen uitgever op en de postzegel is verwijderd (waarschijnlijk door een collectioneur in het verleden, maar zo is helaas nu de datum onbekend). De bestemmeling is een zekere Botterman die woont in "Eessen Lez Dixmude".

Postkaart Station Aalter
(met dank aan Joe Rogge, Gent)
Op de foto herkennen wij het stationsgebouw, met het opschrift Aalter. In de periode onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog stond er even eentalig 'Aalter' op het gebouw, in 1921 kwam er terug Aeltre bij. Zou het kunnen dat de kaart kort na de oorlog gestuurd is naar een familielid dat meehielp aan de wederopbouw in 'de verwoeste gewesten'?

De boodschap vooraan op de kaart is gericht aan broer en schoonzuster: "Als er niet tussenkomt moogt ge ons met Marcel en Roger den 1. Augst. verwachten. Gust en Irma schikken ook te komen als het mogelijk is bij u? blijven wij en (Irma) [misschien] voor meerdaagen [?]zeggen tot maandag. Gust gaat den zelfden dag naar huis we brengen den fiets mede, een antwoordje a.u.b. Uwen broeder."

Het betreft dus een korte boodschap in verband met een reisje dat is gepland. In de handtekening (Remy?) is een pijl getrokken naar een persoon op de foto, in militair uniform overigens. Ongetwijfeld is dit de schrijver van de kaart. Voor de rest staat op de afbeelding (traditioneel voor dit soort foto's) een bont gezelschap, duidelijk poserend, met de beste kleren aan.

Van een andere foto (privé-collectie) zijn wij iets zekerder wat de datering betreft. De foto is genomen in het begin van de Tweede Wereldoorlog. Twee in Aalter gestationeerde Duitse spoorwegbeambten staan aan de toenmalige overweg (Brugstraat) met de tandem (!) op een zomerse dag. Let op de signalisatie aan de spoorweg en de structruur van de slagboom.

Spooroverweg Brugstraat Aalter (ca. 1940-1941)

Aan de linkerkant zien wij de parallelweg die vertrekt uit de Brugstraat en de huizen die bij de aanleg van de spoorwegtunnel zijn verdwijnen. Nog aan de noordzijde van het spoor staat een klein gebouwtje. Aan de kant van het centrum staat het stationsgebouw met de voor die jaren typerende mast voor elektriciteits- en telegraafverbindingen. De brede perrons zijn goed herkenbaar.